Als het aankomt op oorsprong

Als er twijfel bestaat over de herkomst van goederenzendingen, komt het Landelijk Team Oorsprong in beeld. Jasper Muhlenbaumer en Roxanne de Vries over een soms complex stukje douanewerk.

Juristen Roxanne de Vries en Jasper Muhlenbaumer werken bij het 16-koppige Landelijk Oorsprong Team (LOT) – het kenniscentrum binnen de Douane voor alles wat met oorsprong en herkomst te maken heeft. Ze houden zich er bezig met centrale beleidszaken – werk dat hen ook geregeld naar Brussel voert. “Daar kunnen we namens de Nederlandse Douane het verschil maken.”

“Oorsprong staat, naast Waarde en Tarief, aan de basis van het douanetarief”, vertelt Muhlenbaumer. “Zo is het medebepalend voor de hoogte van het te betalen invoerrecht en leidend voor handelsmaatregelen, zoals antidumpheffing. Daarnaast speelt het begrip tariefpreferentie een belangrijke rol*. Wie goederen importeert uit partnerlanden of begunstigde landen zoals vermeld in het APS**, kan in plaats van de volle mep aan invoerrechten in aanmerking komen voor een gereduceerd tarief. Je betaalt dan bijvoorbeeld geen 10 maar 3 procent, mits je aan de voorwaarden voldoet. Dat wil zeggen: als je onder meer het juiste oorsprongsbewijs hebt.”

De Vries: “Een van de taken van het LOT is om dat vervolgens te controleren aan de invoerzijde: is aan jou als bedrijf terecht een preferentieel tarief verleend? Maar we controleren ook aan uitvoerzijde: kun je aantonen dat jouw product inderdaad van EU-oorsprong is? Je moet dan als bedrijf in staat zijn om onderliggende bewijsstukken te overleggen uit je bedrijfsadministratie, over de oorsprong van materialen, over je productieproces, je inkoop, et cetera. Daarnaast is ons team verantwoordelijk voor de afgifte van bijvoorbeeld Bindende Oorsprongsinlichtingen – BOI’s – en voor alles wat te maken heeft met REX-registraties. REX staat voor Geregistreerde Exporteur.”

Op elkaar aangewezen
Het LOT ziet zoals gezegd ook toe op uitvoer. Muhlenbaumer: “Laten we een fiets als voorbeeld nemen. Exporteurs maken een oorsprongsbewijs op of laten dat afgeven, waaruit blijkt dat deze fiets van EU-oorsprong is. In een land als Mexico kan men daarmee bij de invoer van de fiets gebruikmaken van een preferentieel tarief. Het oorsprongsbewijs is dus in feite een waardedocument, dat ervoor zorgt dat je minder invoerrecht betaalt bij invoer. En mocht de Mexicaanse douane  twijfelen aan de oorsprong van de fiets – is dat inderdaad EU? – dan kan men dat via het LOT laten onderzoeken.” De Vries: “Wij laten dan bij de exporteur controleren of inderdaad aan alle voorwaarden is voldaan om te kunnen spreken over een goed met EU-oorsprong. En andersom vragen wij bij twijfel over de bij invoer aangegeven oorsprong van producten ook de autoriteiten in partnerlanden om zo’n onderzoek te laten uitvoeren. Je bent dus een beetje op elkaar aangewezen, als douanediensten. Want nergens anders dan bij de producent of de exporteur valt uiteindelijk vast te stellen wat de oorsprong van het product is.”

Waarde toevoegen
De vraag of een product van preferentiële oorsprong is, is vaak ook niet makkelijk te beantwoorden. “Als je in Nederland een appel van een boom plukt, is het qua oorsprong niet zo ingewikkeld”, stelt Muhlenbaumer. “Dat noemen wij dan ‘geheel en al verkregen’. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor een kalf dat hier wordt geboren, grootgebracht en geslacht. Lastiger wordt het bij de productie van een machine die is opgetrokken uit honderden componenten. Wat maakt dat die machine van EU-oorsprong is? Wanneer al die onderdelen de EU oorsprong hebben, valt het nog mee. Maar wat nu als je 50 procent van alle moertjes en boutjes importeert uit China of Taiwan, en er hier arbeid in stopt, het product spuit of verft… Om de oorsprong vast te stellen passen we dan zogeheten lijstregels toe. Die beschrijven op productniveau welke bewerking er moet plaatsvinden om te kunnen zeggen: dit eindproduct is van EU-oorsprong, ondanks het feit dat de gebruikte materialen dat niet waren. De precieze inhoud van deze lijstregels is de uitkomst van langdurige onderhandelingen tussen de EU en partnerlanden, die daarbij beide natuurlijk hun eigen economische belangen hebben.”

Bijsturen waar mogelijk
Aangezien Muhlenbaumer en De Vries zich voornamelijk bezighouden met preferentiële oorsprong, vormen de diverse vrijhandelsverdragen die de EU sluit met partnerlanden – zoals CETA met Canada en EU-Japan EPA*** – de basis van hun werk. “Omdat we deelnemen aan internationale werkgroepen en EU-vergaderingen hebben we nauw contact met de Europese Commissie en oorsprongexperts uit de andere lidstaten, en kunnen we input leveren voor nog uit te onderhandelen overeenkomsten”, legt Muhlenbaumer uit. “We kijken daarbij primair door een douanebril ­­– voor de Nederlandse handelsbelangen schuift ook Buitenlandse Zaken aan. Zijn de oorsprongsregels voor ons als Douane uitvoerbaar? Zo niet, dan probeer je om nog iets bij te sturen. En bevat de bestaande regelgeving lacunes of onduidelijkheden, dan probeer je daar – mede op basis van signalen uit het bedrijfsleven – wat aan te doen.”

“Dat laatste is in praktijk vrij lastig, zeker omdat het aanpassen van douanewetgeving binnen de EU een langdurig proces is”, vult De Vries aan. “Je kijkt daarom in eerste instantie of je in overleg met de Europese Commissie en de andere lidstaten een bepaalde, gezamenlijke, uitleg aan die wetgeving kunt geven. Het kan helpen om als EU, eventueel samen met het partnerland, een guidance document op te stellen. Maar soms vragen veranderingen van economische omstandigheden – of nieuwe technologische ontwikkelingen – toch echt om nieuwe wetgeving. In dat geval moet de EU het proces in werking zetten om de eigen douanewetgeving te wijzigen of, in het geval van handelsovereenkomsten, opnieuw in onderhandeling treden met het partnerland. Dat zal dan de eigen belangen benadrukken en bijvoorbeeld bepaalde aanpassingen bepleiten waardoor sommige producten makkelijker kunnen voldoen aan de oorsprongsregels – ‘voor wat hoort wat’. Gelukkig heeft de EU vaak een sterke uitgangspositie, en worden de belangen van de lidstaten hierin goed vertegenwoordigd.”

‘Spaghettibowl aan regels’
Muhlenbaumer: “Voorheen hadden we een vrij homogeen stelsel met duidelijke regels. Hoewel de lijstregels zelf altijd al waren ingekleurd door handelspolitiek, waren het aantonen van oorsprong, de bijbehorende voorwaarden en de controle erop in elke overeenkomst min of meer gelijk. Maar de laatste tien jaar wordt het stelsel door tal van nieuwe vrijhandelsakkoorden steeds diffuser. Binnen de Douane, de betrokken ministeries, de Kamer van Koophandel en het bedrijfsleven maakt men zich weleens zorgen over deze uiteenlopende preferentiële regelingen met de landen waarnaar we exporteren. Om de fiets er weer bij te halen: wie bijvoorbeeld eenzelfde exemplaar naar zowel Japan, Canada als Mexico exporteert, heeft wel drie verschillende soorten preferentiële oorsprongsbewijzen nodig. Die ontwikkeling maakt het er voor ons – maar bijvoorbeeld ook voor onze collega’s bij Aangiftebehandeling en in de controle – niet bepaald makkelijker op. De ‘spaghettibowl aan regels’ – zoals deze wel wordt genoemd – is soms zelfs zo complex, dat exporteurs en importeurs afzien van het gebruik van de preferentiële regelingen.”

De Vries: “En dat is jammer, want als je afziet van preferentie, profiteer je niet maximaal van de voordelen die de handelsakkoorden van de EU kunnen opleveren. Het zou mooi zijn als bedrijven dat wel deden, want dat komt uiteindelijk onze concurrentiepositie ten goede. Dankzij de preferentiële regelingen kunnen exporteurs hun producten immers goedkoper afzetten in een partnerland.”

Eén lijn trekken
Gelukkig staat die regelbrij in Brussel op de agenda, aldus De Vries. “Er ligt hier primair een taak voor de Commissie om eensluidende akkoorden te sluiten – waarbij de uitkomst van de onderhandelingen natuurlijk ook afhangt van het partnerland – en hierover toereikende informatie te verstrekken. Vervolgens proberen we als LOT op nationaal niveau voldoende duidelijkheid richting bedrijfsleven te scheppen. We kunnen niet zelf de voorwaarden van een nieuwe preferentiële regeling wijzigen, maar wel zo goed mogelijk uitleggen hoe zo’n regeling moet worden toegepast.”

“Omdat we in Brussel dicht bij het vuur zitten, koppelen we wat daar wordt besproken en besloten ook terug naar verschillende afdelingen binnen onze eigen organisatie. Zo fungeert het LOT als kenniscentrum voor de hele Douane: wij leggen uit hoe de oorsprongsregels geïnterpreteerd en toegepast moeten worden. We zorgen er daarbij ook voor dat die uitleg door het hele land hetzelfde is. Als er een vergelijkbare casus in verschillende regio’s speelt, wil je tenslotte één lijn trekken.”

“Verder helpen we bedrijven om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. Wij houden de informatie over het oorsprongsbeleid in het Handboek Douane actueel. Daarnaast publiceren we mededelingen over nieuwe handelsovereenkomsten zoals die met Canada, Japan, Singapore en Vietnam, die bedrijven als leidraad kunnen gebruiken. En we delen guidance documenten van de Europese Commissie. Zo nu en dan verzorgen we ook presentaties bij een van de koepels, zoals EVO-Fenedex, of de KvK.”

Helpdeskfunctie
Wat als ondernemers toch vastlopen in de regels? De Vries: “In beginsel is de Douanetelefoon het eerste aanspreekpunt voor bedrijven, maar voor de complexere vraagstukken vervult het LOT ook een helpdeskfunctie.”
Muhlenbaumer: “Marktpartijen benaderen ons zo ook weleens met een vraag als: ‘We kopen goedkope laarzen uit Canada in, maar die schijnen uit China te komen. Kunnen jullie ons vertellen hoe het zit met de oorsprong?’ Zulke vragen zijn vaak lastig te beantwoorden, en we zijn natuurlijk geen advieskantoor. Van bedrijven verwachten we dat ze eerst zelf een antwoord proberen te vinden. Als dat niet lukt, kan men ons een specifieke vraag, onderbouwd met documenten, voorleggen.”

“Wij werken intensief samen met het Douane Landelijk Kantoor. Langs die weg bereiken ons vaak concrete kwesties, zoals oorsprong-gerelateerde vragen die daar via het Overleg Douane Bedrijfsleven binnenkomen”, besluit De Vries. ”Die geven vaak een goed beeld van wat er speelt in de handel, en zulke signalen nemen we als feedback mee naar Brussel. Want daar kunnen we het verschil maken.”

* Niet-preferentiële oorsprong is vooral van belang voor handelspolitieke maatregelen, zoals antidumpheffing. Preferentiële oorsprong levert bepaalde tariefvoordelen op, voor goederen die worden verhandeld tussen landen die een handelsovereenkomst hebben gesloten.

** APS staat voor Algemeen Preferentieel Systeem, een unilaterale regeling om goederen uit bepaalde ontwikkelingslanden tegen een verlaagd tarief te kunnen invoeren in de EU.

*** CETA: Comprehensive Economic and Trade Agreement / EPA: Economic Partnership Agreement.

Landelijke teams in de schijnwerpers
Douane Nederland telt verschillende landelijke teams en units, die zich stuk voor stuk toeleggen op specifieke taken en zeer specialistische expertise in huis hebben. Als kennis- en adviescentra ondersteunen ze de douaneregio’s, en vaak ook (direct of indirect) douaneklanten. Sommige van deze organisatieonderdelen (zoals de Centrale Dienst In- en Uitvoer, de Centrale Unit Accijnzen en de Nationale Helpdesk Douane) kwamen al eens of meermaals aan bod in Douane inZicht, andere kregen tot nu toe minder aandacht. Van die laatste groep belichten we er in dit nummer vijf: onze landelijke teams die zich bezighouden met respectievelijk waarde, tariefindeling, oorsprong, zuivering en zekerheid.

Deel dit bericht