Alles voor de zorg

Sinds de uitbraak van de coronapandemie doet de Douane al het mogelijke om de invoer van persoonlijke beschermingsmiddelen soepel te laten verlopen. Drie specialisten vertellen.

Sinds het uitbreken van de coronacrisis stelt de Douane al het mogelijke in het werk om de invoer van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) soepel en snel te laten verlopen. Fiscale en niet-fiscale haken en ogen mogen in tijden van hoge nood geen belemmering vormen voor een vlotte distributie van bijvoorbeeld mondkapjes richting hulpverleners in de zorgsector. Verschillende specialisten van de Douane vertellen hoe zij zich de afgelopen maanden hebben ingespannen op dit vlak.

“Voor de invoer van onder meer persoonlijke beschermingsmiddelen die worden geschonken, kan gebruik worden gemaakt van een speciale fiscale regeling”, begint Hillary Dragtenstein, specialistisch adviseur op het Douane Landelijk Kantoor. “Die regeling – vastgesteld in een verordening – biedt onder bepaalde omstandigheden ruimte om PBM’s vrij te stellen van douanerechten en btw bij invoer. Er moet dan worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Zo moet er sprake zijn van een ramp, die bijvoorbeeld meerdere lidstaten tegelijkertijd treft. En de goederen moeten worden ingevoerd door een organisatie die valt binnen één van de volgende categorieën: overheidsinstellingen, hulpeenheden of instellingen met een filantropisch karakter. Ten slotte is er nog het criterium dat de betreffende hulpmiddelen moeten worden geschonken aan dan wel ingezet voor de slachtoffers van de ramp. Wij hebben bij de Europese Commissie al aan het begin van de crisis toestemming gevraagd om de genoemde vrijstelling in ons land te mogen toepassen; in afwachting van het antwoord hebben we de douanerechten voor dit soort zendingen alvast geschorst. Brussel heeft bepaald dat de vrijstellingsregeling in de hele EU van kracht is. De looptijd is onlangs verlengd tot 31 oktober, en mogelijk wordt de maatregel nog eens enkele maanden voortgezet.”

Oponthoud voorkomen
“Dit alles was en is goed nieuws voor instellingen en bedrijven die in deze moeilijke tijd iets voor de samenleving willen doen”, gaat Dragtenstein verder. “Vooral in het voorjaar wilden veel private partijen een bijdrage leveren aan de bestrijding van de coronacrisis. Zoals door mondkapjes, plastic schorten of wegwerphandschoenen uit het buitenland te halen en te doneren aan het Rode Kruis of een ziekenhuis. Velen van hen zijn best bereid om 0 tot 6,3 procent douanerechten over die goederen te betalen, maar voor sommigen – die bijvoorbeeld in economisch zwaar weer zitten – is dat toch lastig. Die groep had en heeft de mogelijkheid om de producten nog voordat ze zijn ingevoerd te schenken aan een organisatie uit één van de categorieën die ik noemde. Of om ze namens die organisatie in te voeren. Wij als Douane controleren vervolgens wel of de invoerende instelling of dienst daadwerkelijk een vrijgestelde partij is volgens de letter van het Europese wetsartikel. Maar we zetten alles op alles om te voorkomen dat die exercitie zorgt voor oponthoud aan de grens. We verwachten overigens dat de aandacht bij invoer zal verschuiven van PBM’s naar testkits, en vervolgens naar vaccins.”

Productveiligheid
Douanier Michael Sjaardema hield zich maandenlang intensief bezig met de niet-fiscale facetten van de invoer van persoonlijke beschermingsmiddelen. “Als bijvoorbeeld een mondkapje het land binnenkomt, moet het aan allerlei wettelijke bepalingen voldoen”, aldus de handhavingsregisseur, met gezondheid en intellectuele eigendomsrechten (IER) in zijn portefeuille. “Je kunt vanuit diverse invalshoeken naar dergelijke producten kijken. Eén daarvan is IER, andere zijn productveiligheid voor consumenten, productveiligheid voor professioneel gebruik en de Richtlijn Medische Hulpmiddelen. We praten daarmee over vier controleterreinen, en op al die gebieden hebben wij te maken met verschillende opdrachtgevende departementen en handhavingspartners: respectievelijk de ministeries van EZK en VWS, en de NVWA, de ISZW en de IGJ. Van al die partijen moesten wij in kaart brengen wat zij in deze periode precies van de Douane als toezichthouder verwachtten. Dit alles in het licht van de dringende oproep van de Europese Commissie aan douanediensten om ervoor te zorgen dat persoonlijke beschermingsmiddelen zo snel mogelijk beschikbaar zouden komen.”

Dagkoersen
“Wanneer PBM’s die inbreuk maken op merkrechten de grens passeren, dan komt EZK in beeld”, vervolgt Sjaardema. “Denk bijvoorbeeld aan namaak-mondkapjes met een merk als 3M of Disney erop, die niet van deze ondernemingen afkomstig zijn. De Douane heeft de afspraak met EZK, dat wij intellectuele eigendomsrechten handhaven aan de EU-buitengrenzen – grotendeels op verzoek van de houders van die rechten. Daar zijn wij ten tijde van corona onverkort mee doorgegaan. Gezien de ernst van de situatie – en om redenen van efficiëntie – heeft EZK ons meegeven om verdachte en risicozendingen ook vooral te controleren op VWS-aspecten. Dus overeenkomstig de afspraken die wij met VWS hebben. Want veel PBM’s worden niet ook door een merk- of ander IE-recht beschermd, terwijl de noodzaak om ondeugdelijke producten van de markt te houden groot was. Voor de overige aspecten die ik noemde, hebben we contact gehad met VWS, NVWA, IGJ en ISZW. Daar gaf men aan dat eventueel extra toezicht aan de buitengrens vooralsnog niet hoefde plaats te vinden. Maar dat kon gedurende de crisis veranderen; er was sprake van dagkoersen. VWS zou z’n beleid elk moment kunnen wijzigen, bijvoorbeeld als er meer signalen over partijen ondeugdelijke hulpmiddelen zouden komen. Dat zou voor de Douane overigens geen probleem zijn geweest. Het Douane Landelijk Tactisch Centrum had de benodigde voorbereidingen getroffen. Binnen een kwartier zouden onze systemen zijn aangepast, binnen een uur hadden we kunnen handhaven op dit risico.”

Bijzonder betrokken
Sjaardema besteedde veel tijd aan het informeren van douanecollega’s over de afspraken met de beleidsdepartementen. “Ik had intensief contact met vooral onze IER-vraagbaken, teamleiders en medewerkers van het Douane Landelijk Tactisch Centrum”, vertelt hij. “Die mensen vroegen zich allemaal af wat we moesten met het thema PBM’s, in het kader van veiligheid. Zij hoorden het nieuws over dreigende materiaaltekorten in de zorg, en zagen tegelijkertijd douaneaangiften voor dit soort goederen voorbijkomen. Bovendien verspreidde de Europese fraudeorganisatie OLAF in het begin van de crisis een bericht over de plotselinge opmars van ondeugdelijke en namaakproducten, waaronder ontsmettingsmiddelen, Covid-testkits en gezichtsbescherming. Dit soort signalen triggert douaniers; die trekken dan meteen aan de bel. Dat verraste me niet, want onze mensen in het veld zijn bijzonder betrokken – zowel bij hun werk, als bij wat er gebeurt in de samenleving.”

Handelspolitieke regeling
Waar tal van douanemedewerkers hun best deden en doen om de invoer van persoonlijke beschermingsmiddelen te bespoedigen, hielpen anderen om de uitvoer ervan tot een minimum te beperken. Zo ook vaktechnisch adviseur niet-fiscaal Willy Bleiij. Hij hield zich bezig met de implementatie van de Europese verordening 2020/402 – een handelspolitieke regeling die half maart plotseling van kracht werd (en inmiddels is geëindigd). “Feitelijk was dit een exportverbod voor PBM’s”, verklaart hij. “In het Europese systeem TARIC werden van het ene op het andere moment twee nieuwe bescheidcodes voor deze productgroep geïntroduceerd. Eén voor goederen waarvoor een uitvoerverbod gold, en één voor goederen die daarvan waren vrijgesteld – zeg maar een uitwijkcode om de handel in deze bijzonder brede range van artikelen niet geheel te ontregelen. Die beide codes moesten uiteraard in onze eigen systemen – denk aan ons aangiftesysteem AGS – worden geïmplementeerd, zodat wij in Nederland de opzet van de verordening konden afdekken. Bovendien moesten we risicoprofielen opzetten, om misbruik van de regeling tegen te gaan. De kans bestond immers dat exporteurs ten onrechte de goederencode voor vrijgestelde goederen zouden gebruiken om het verbod op uitvoer te omzeilen.”

Ruis in de handel
“Als Douane konden we hierop handhaven door steekproefsgewijs te controleren”, legt Bleiij uit. “Maar de profielen om dit mogelijk te maken waren er in het begin nog niet. Om niet het risico te lopen dat zogezegd de deuren van ons land wagenwijd opengingen, hebben we goederenzendingen die al onder de betreffende code werden aangegeven voor uitvoer tijdelijk stilgezet. Dat leverde veel ruis op in de handel, en de nodige verwijten van het bedrijfsleven richting onze dienst. De oorzaak lag vooral in het feit dat de verordening een grote reikwijdte had en een zeer breed assortiment aan producten besloeg. Gezien het beoogde doel van de verordening, vonden wij deze gekozen lijn echter gerechtvaardigd. Ons Douane Landelijk Crisisteam deelde die mening en was akkoord. Uiteindelijk heeft deze situatie een paar dagen geduurd; toen waren de risicoprofielen klaar voor gebruik. Sindsdien zijn er diverse fysieke goederencontroles geweest, maar daarbij zijn niet of nauwelijks gevallen van misbruik geconstateerd.”

Rol voor CDIU
En zo zaten er meer haken en ogen aan verordening EU 2020/402. Bleiij: “Voor de persoonlijke beschermingsmiddelen waar het allemaal om te doen was, gold dus in principe een uitvoerverbod. Bedrijven hadden niettemin de mogelijkheid om hiervoor onder voorwaarden een uitvoervergunning aan te vragen. Het beleidsverantwoordelijke ministerie van Buitenlandse Zaken vroeg de Douane of onze Centrale Dienst In- en Uitvoer ook een rol kon vervullen in de verstrekking van deze vergunningen. Die heeft immers veel expertise en ervaring met het verwerken van vergunningaanvragen. Het management van de CDIU heeft hiermee ingestemd, omdat die werkzaamheden pasten in de dagelijkse processen. In allerijl is daarvoor een nieuw traject opgezet. Er werd een online aanvraagformulier voor de betreffende vergunning ontwikkeld, dat kon worden ingediend bij een speciaal voor dit doel ingestelde postbus van de CDIU. De IGJ – de nationale autoriteit in dezen en voor ons helpdesk bij vragen over persoonlijke beschermingsmiddelen – beoordeelde de aanvragen en gaf uitsluitsel aan de CDIU. Die maakte het besluit vervolgens kenbaar, en gaf in voorkomende gevallen de vergunning af.”

“Alles overziend, kunnen we stellen dat tal van douanemedewerkers op allerlei plekken hun uiterste best hebben gedaan om deze uitzonderlijke verordening in te voeren”, besluit Bleiij. “En veel anderen hebben hard gewerkt aan de handhaving ervan. Dat we in staat waren dit proces zo vlot in te richten, zegt wel iets over de flexibiliteit van onze organisatie.”

In het kader van de coronacrisis trof de Douane speciale steunmaatregelen om ondernemers tegemoet te komen. Daarover leest u meer in het artikel ‘Coulance voor ondernemers in coronatijd’ elders in deze uitgave.

Deel dit bericht