Onze mannen in Brussel

Duidelijker maken wat douanediensten wel en niet aankunnen – het is één van de ambities van lobbyisten Luc de Blieck en Kees Beaufort tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap.

Meer oog voor de bijzondere positie van douaneautoriteiten, gerichter aandacht voor strategische douanetopics in de Raad en een groter bewustzijn van de noodzaak van modern douanetoezicht. Volgens Luc de Blieck en Kees Beaufort zijn dit belangrijke punten, waarop Nederland gedurende zijn tijdelijke voorzitterschap van de EU extra moet inzetten. “Wij gebruiken dit half jaar voor maximale beïnvloeding. De tijd is te kort voor grote veranderingen, maar we kunnen de Europese koers een klein tikje geven.”

Als voorzitter van de Raad van Ministers van de EU vervult Nederland de rol van honest broker, die de belangen en standpunten van alle lidstaten zorgvuldig weegt. Ondanks die neutrale positie kan ons land deze eerste zes maanden van 2016 enige invloed uitoefenen in het Brusselse, bijvoorbeeld door in Nederlandse ogen essentiële onderwerpen op de diverse agenda’s te krijgen. Ook op het gebied van douaneaangelegenheden, zo weten Beaufort en De Blieck. Zij zitten respectievelijk de Raadswerkgroep Douane Unie en de Raadswerkgroep Douane Samenwerking voor – die dossiers voorbereiden voor met name de Raad voor de Mededinging (waar het vooral gaat om douane-unie en handelsfacilitatie) en de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (waar de focus ligt op bescherming van de samenleving).

Betere zichtbaarheid

“Een probleem is alleen dat de douane op strategisch niveau niet zo goed zichtbaar is binnen de EU”, aldus Beaufort. “Onze werkgroepen nemen besluiten doorgaans bij consensus, waarna het feitelijk hamerstukken zijn voor de Raden. In het regelgevende proces komen wij als uitvoerende dienst niet altijd in beeld.” En dat kan op z’n minst onhandig zijn, stelt De Blieck: “In Europa wordt op allerlei beleidsterreinen wet- en regelgeving geproduceerd die uiteindelijk door de douaneorganisaties van de lidstaten moet worden gehandhaafd. Wij hebben immers niet enkel onze klassieke fiscale taken, maar worden ook ingezet op het gebied van maatschappelijke veiligheid. Hierbij wordt niet altijd rekening gehouden met de vraag of dit alles past binnen onze filosofie en werkwijze. Terwijl wij wel de sleutelspelers zijn, als het goederenbewegingen over de EU-grens betreft. Wij willen proberen hier iets aan te doen: duidelijker maken wat onze mogelijkheden en onmogelijkheden zijn. Douanediensten kunnen niet kosteloos alles op hun bord nemen; onze budgetten en capaciteit kennen grenzen.”

Meer continuïteit

Een ander overkoepelend thema van het Nederlandse EU-voorzitterschap voor Beaufort en De Blieck: het waarborgen van continuïteit in de behandeling van zwaarwegende onderwerpen door de al genoemde Raden. “Als voorzitter kun je niet echt je stempel drukken op besluitvormingsprocessen; daarvoor is zes maanden simpelweg te kort”, legt Beaufort uit. “Daarom overleggen wij bewust veel met vertegenwoordigers van onze voorganger Luxemburg en onze opvolgers, zoals Slowakije. We doen dit niet om Nederlandse standpunten door te drukken, maar om ervoor te zorgen dat we over een periode van meerdere voorzitterschappen kunnen plannen – in het belang van alle lidstaten. Op die manier krijgen thema’s die dat verdienen aandacht over langere termijn. Denk aan grote ICT-projecten en bijbehorende investeringen, of aan de relatie tussen douanediensten en andere grensbewakingsautoriteiten.”

Eigentijds toezicht

Waar ons land verder sterk aan hecht, is de zorg voor een moderne douaneorganisatie. De Blieck: “Een dienst die zaken niet alleen bekijkt vanuit zijn eigen handhavingsperspectief, maar ook vanuit de optiek van het bedrijfsleven. Die bijvoorbeeld eigentijdse en eenvoudige procedures kent – afgestemd op de logistieke en commerciële werkelijkheid – en controlemomenten inbouwt op logische momenten in transportketens. En daarbij gebruikmaakt van wat ondernemers zelf al hebben ingericht aan interne beheersingsssytemen en controlemechanismes. Op die manier kun je én rechten heffen, én zorgen voor safety and security én de handel faciliteren. Die aanpak propageren wij als Nederland nadrukkelijk.”
“Onze douane en meerdere zusterorganisaties zijn er al behoorlijk ver in, maar niet iedereen omarmt deze manier van denken en doen”, vult Beaufort aan. “Er zijn tegenkrachten: sommige lidstaten en ook bepaalde Europese instanties zitten veel meer op de lijn van harde fraudebestrijding en het tot de laatste cent binnenhalen van de eigen middelen door de EU-landen. Voor hen hebben de belangen van handel en industrie minder prioriteit. Met dat spanningsveld hebben wij elke dag te maken.”

Nationale omstandigheden

“Als Nederland zijn wij al jaren bezig de juiste balans te vinden tussen controleren en faciliteren”, gaat Beaufort verder. “We moeten wel, met twee mainports op ons grondgebied. De afgelopen tijd hebben wij onze visie op douanetoezicht in de nabije toekomst uitgewerkt, onder de noemer ‘Grensverleggend’*. Die zienswijze willen wij de komende jaren verder ontwikkelen en in praktijk brengen. Dat proces mag niet worden geremd door resultaten aan de Brusselse onderhandelingstafels. Een norm die een Europees gemiddelde weergeeft, is voor veel landen een stap voorwaarts, maar meestal niet voor Nederland. Nieuwe afspraken over procedures en de uitvoering daarvan pakken in de Rotterdamse haven heel anders uit dan in, pakweg, een haven in Litouwen of Slovenië. Stel dat wordt overeengekomen dat 10% van alle binnenkomende containers fysiek moet worden gecontroleerd… Dat is in Rotterdam niet haalbaar door de unieke massaliteit. Daarom maken wij ons er sterk voor dat rekening wordt gehouden met nationale omstandigheden – overkoepelende controlestrategieën mogen niet in beton zijn gegoten.”

Uniforme sancties?

Oog voor de lokale situatie is volgens Beaufort en De Blieck evenzeer gewenst, als het gaat om sanctionering. “Nu we met de Union Customs Code de douanewet- en regelgeving binnen de EU hebben geharmoniseerd, klinkt hier en daar de roep om overal op uniforme wijze in te grijpen als bedrijven iets verkeerds doen”, vertelt De Blieck. “Nederland – sowieso meer van compliance-gericht toezicht dan van bestraffen – is geen voorstander van deze ogenschijnlijk logische vervolgstap. Voor ons tellen allerlei factoren mee: om wat voor bedrijf gaat het, welke activiteiten ontplooit het, en gaat het al dan niet bewust over de schreef? Wij staan voor een zekere proportionaliteit. Een klein bedrijfje dat incidenteel uit onervarenheid een fout begaat, moet je in onze ogen niet op dezelfde manier aanpakken als een grote onderneming die dat stelselmatig en moedwillig doet.”
Beaufort: “Al met al is dit zeer complexe materie. In elk geval is sanctioneren nog altijd een nationale bevoegdheid. Je kunt je afvragen of uniforme straffen überhaupt nodig zijn. We kennen immers ook al een Europese richtlijn voor de bescherming van de financiële belangen, die opzettelijke fouten door marktpartijen al grotendeels afdekt.”

Krachtiger handelslobby

Beaufort, De Blieck en nog een flink aantal Nederlandse douanecollega’s blijven de komende tijd druk netwerken en zoeken naar compromissen om onnodige Europese regeldrift tegen te gaan. “Alles in juridische teksten vangen past theoretisch mooi in het plaatje van een geharmoniseerde Douane Unie”, zegt Beaufort. “Maar het wordt al gauw regelgeving om de regelgeving. En dat komt de positie van de EU als competitive player op het wereldhandelstoneel niet ten goede.”

“We proberen de Europese koers deze maanden een tikje te geven in een gunstige richting”, besluit De Blieck. “Het zou helpen als het bedrijfsleven zelf ook voldoende opkomt voor zijn belangen in Brussel, bijvoorbeeld door te lobbyen bij het Europees Parlement. Dat gebeurt wel, maar in onze ogen zou het vaak iets krachtiger en in een vroeger stadium kunnen.”

* Zie ook het artikel ‘‘Grensverleggend’ in 40 minuten’ elders in dit nummer.

Deel dit bericht